Kolonie

De traditioneel-wetenschappelijke benadering van de geschiedenis van de Colonie is hier te vinden. De Colonie zal vooral Kolonie, Hoogeveen of de kolonie Hoogeveen genoemd worden. De laatste jaren was ik vooral bezig met onderzoek naar en schrijven over het begin van wat ik de Voortijd van de kolonie noem, dat is de openlegging van het Echtener Veen in de jaren 1625-1635. Uitkomsten van onderzoek zijn te vinden op de weblogs Leeg Land Bezet I,II en III en een actuele discussie over de vroegste jaren op weblog Het ontstaan van Hoogeveen.

19. Roeloff van Egten, kale jonker?

Gepubliceerd 2-3-2010 op weblog Leeg Land Bezet II, maar daar even moeilijk te vinden.

Inkomsten en uitgaven van Roeloff van Egten rond de venen in de eerste jaren.

Hoe stond jonker Roeloff er financieel voor tijdens de eerste jaren van de openlegging van het Echtener Veen? Over het vermogen en het inkomen van de jonker voor hij aan de onderneming in het veen begon en over zijn andere inkomsten in die jaren is zover ik kon nagaan weinig bekend. Het inzicht in de financiële posities van de Drentse landadel in de 17de eeuw is beperkt. Er lijken slechts een paar meer algemene opmerkingen over te maken, vooral op basis van belastinggegevens. In het oog moet dan worden gehouden dat bij de registraties van fiscale vermogens uit deze periode van de Republiek bijna altijd sprake is van onderschatting. Verlaging (maar soms ook verhoging) van fiscale vermogens was op allerlei manieren mogelijk. Vuistregel kan zijn dat de reële vermogens overwegend 1,5 tot 2 maal zo hoog zijn geweest als de fiscale registraties (Zandvliet, XI). En hoe moeten deze vermogens en andere geldbedragen vergeleken met de huidige tijd worden ingeschat? Kijkend naar de koopkracht kan een vermogen van f.200.000 in 1625 vergeleken worden met 2.1 miljoen Euro in 2005. Maar uitgaande van de verhouding tussen de lonen en de vermogens toen en nu kan f.200.000 vergeleken worden met 14 miljoen Euro in 2005. Een ander perspectief biedt een vergelijking met het buitenland en dan doen de rijken in de Republiek van de eerste helft van de 17de eeuw niet onder voor die in het buitenland (Zandvliet, XII e.v.).

Rijken (meer dan f.200.000 fiscaal vermogen volgens  Zandvliet) waren er niet in Drenthe. Het vermogen van waarschijnlijk al de land-edelen was kleiner dan f.100.000 en hun bruto jaarinkomen was gemiddeld kleiner dan f.10.000 (Feenstra, 40). Hun vermogen zat voornamelijk in onroerend goed. De geschatte waarde van het onroerend goed van Roeloff van Egten was in 1630 f.19.000, dat van de erven Hendrik van Munster in het naburige Ruinen  f. 64.000 (Feenstra, Bijlage VII). Havezathes, evenals Groninger borgen, werden zelden boven f.10.000 getaxeerd. Zo werd het huis Oldenhave in Ruinen in 1646 waarschijnlijk op circa f.6000 getaxeerd (Feenstra, 33). Inkomen werd verkregen uit tienden, pachten, bossen, ambten en militaire functies. In het adellijk gezien lege Drenthe behoorde Van Egten in 1631 tot de meer vermogenden, hoewel de naburige adellijke familie in Ruinen vermogender lijkt te zijn geweest. Het vermogen van de niet- adellijke Gerhard Struuck, lange tijd compaan van Roeloff, werd bij zijn dood in 1642 geschat op f.100.000 (J. Bos e.a, 184). Op zijn veelvuldige politieke reizen buiten Drenthe zal Roeloff veel met vermogender lieden, adellijk en niet van adel, in aanraking zijn gekomen, voor wie hij maar een kale jonker uit Drenthe was.

Vraag is nu of het Roeloff gelukt is om, toen de tijden wat minder roerig werden, met de onderneming in de venen een grote klapper te maken. Heeft hij zijn financiële positie sterk kunnen verbeteren en raakte hij kale jonker af? Voor zover daar zicht op is zal ik zijn uitgaven en inkomsten rond de veenonderneming tot in voorjaar 1636, wanneer de laatste termijn van de betalingen van de participanten afloopt, proberen na te gaan.

Inkomsten ongeveer f. 105.000:

  1. De verkoop van venen aan de participanten van de Compagnie. Met de laatste betaling in 1636 heeft Roeloff in totaal voor 20-22 kavels (per stuk f. 5000) f.100.000 of f110.000 ontvangen (als zijn familieleden ook werkelijk betaald hebben).
  2. Winsten uit de verkoop van turf uit zijn kleine venen en het veen van de Compagnie. Mogelijk enkele duizenden guldens (zie Leeg Land II-16).

III. Inkomsten uit lastgelden, opvaart-  en afvaartgelden boven Meppel en bruggelden en tolgelden beneden Meppel. Mogelijk enkele honderden tot f.1000 guldens (Leeg Land II-7 en 16).

Uitgaven ongeveer f. 50.000-60.000 ?

  1. Aankoop en (ver)bouw van de Swarte Sluys in compagnie, f….? De participanten hebben de bouw van de sluis in 1622 voor f.9300 aanbesteed (Coert, 1991, 102).
  2. Eerste kanalisatie van de schipvaart, onder andere de bouw van een ophaalbrug te Meppel en de aanleg van vallaten f….?
  3. De graverij in het Pesser- en Westerveen, f…?
  4. De koop van de ondergrond in 1630, f. 6500.
  5. De koop van de helft van de venen van Meppen in 1631, f. 2300.
  6. Naarkoop van de andere helft van de venen van Meppen in 1634, f. 17.000.
  7. Onkosten Compagnie via ommeslagen f. 22.000

Ad 7.  De ommeslag van 12-3-1631 moest f. 20.000 (f. 400 per 100 morgen) opbrengen. Van Egten betaalt voor 10 kavels f. 4000. Door Roeloff werd aan de vertrekkende Amsterdammers f. 4800 terugbetaald en zo gezien heeft de eerste ommeslag uiteindelijk maar f.15.200 opgebracht. Mogelijk is het teruggegeven bedrag door de overblijvende participanten gecompenseerd, maar daarover is geen informatie. In zo’n geval zou het kunnen zijn dat Roeloff  aan die compensatie ongeveer f. 2200  heeft bijgedragen (per 100 morgen zouden de participanten dan ongeveer f. 95 moeten opbrengen), want de teruggekeerde 1200 morgens kwamen waarschijnlijk direct aan hem terug.  De ommeslag van 21-7-1633 moet f. 30.600 opbrengen (f. 600 per 100 morgen). Roeloff zal op dat moment voor 20 kavels f. 12.000 betaald hebben. Bij deze berekening zou Roeloff f.16.000 tot f. 18.000 aan de ommeslagen hebben bijgedragen. Maar gaan we uit van de onkosten die de laatst binnengekomen participant Schaap moet betalen=f. 1300 per kavel van 100 morgen, dan is het mogelijk dat Roeloff wel f. 26.000 aan onkosten heeft betaald. Bij de scheiding in 1634 moet per kavel nog f. 82 betaald worden om de schulden van de Compagnie te vereffenen, maakt voor Van Egten f. 1640. In totaal kunnen de onkosten voor Roeloff zo ongeveer tussen de f. 17.000 en f. 27.000 hebben gelegen. Voor hier houd ik het daarom vooreerst op f.22.000. Nogmaals, er van uitgaande dat de kavels van de Amsterdammers direct al in handen van Roeloff waren en dat ze voor zijn rekening onder de ommeslagen vielen. Zo niet, dan zou zijn bijdrage aan die ommeslagen de helft lager zijn geweest.

Opgemerkt moet worden dat de financiële gang van zaken in de beginjaren van de Compagnie nogal ondoorzichtig is. Zo heeft Roeloff  tot 12 maart 1631 geld gespendeerd aan de schipvaart met verlaten. Zijn die onkosten vergoed uit de gelden die de ommeslagen opbrachten? Verder werden de omslagpenningen blijkbaar door Roelof geïncasseerd en beheerd. Zo worden de penningen van de Amsterdammers  door hem terugbetaald en hij klaagt in zijn brief over door een aantal participanten nog niet betaalde penningen. Hoeveel de aanleg van de verlaten, de graverij aan de grift en in het veen,  de bouw van huizen met aanleg van tuinen en de aanschaf van pramen bij elkaar werkelijk gekost heeft, weten we niet. Van al deze zaken lijkt geen boekhouding bewaard gebleven. Merkwaardig lijkt ook de verwerving van de zogenaamde veendriehoek in mei 1631 (Leeg Land II-13). Heeft Van Egten die in compagnietijd voor de Compagnie maar buiten de Compagnie om gekocht of is die niet eens gekocht? Het lijkt er wel op dat dit veen samen met het Westerveen en het Pesserveen door hem een tijdje als eigen kleine venen beschouwd is. De driehoek en het Pesserveen zijn blijkbaar bij de onderhandelingen in de Compagnie op gegaan. Zie ook de discussie over wie het laatst aan te leggen verlaat moest betalen (AE 877, 6-5-1634).

De winst uit de hele veenonderneming kan voor Roeloff van Egten in 1636 dus ongeveer f. 50.000 zijn geweest. Omgeslagen over de periode 1626-36 zou de onderneming Van Egten zo f. 5000 per jaar hebben opgeleverd. De inkomsten kwamen natuurlijk vooral pas vanaf 1632  binnen en wel gemiddeld f.10.000 per jaar. Gezien de eerder geschetste vermogensverhoudingen een forse financiële vooruitgang. Toch was de winst wel veel minder groot dan in opzet waarschijnlijk gepland. Was er aan f.100.000 of zelfs meer gedacht( 40 kavels a f. 5000)? Was dit laatste gelukt dan had het de jonker in de buurt van de rijksten van zijn tijd gebracht.

 

Op dit artikel kan niet (meer) gereageerd worden.