Filosoof

Op deze pagina zijn geplaatst de volgende onderwerpen: Introductie 2010–Curriculum Vitae Pannekoek 2001–Voorwoord 2001–Introductie 2001 en zal nog verschijnen:  Curriculum Vitae Pannekoek 2012

In deze teksten geef ik uitleg over mijn persoonlijke omgang met de Colonie. De titel Filosoof van Pannekoekstad krijgt daarbij ook een meer specifieke betekenis. Want soms spreekt de Filosoof met de doek over het hoofd, figuurlijk en soms letterlijk en wel op de bij FILOSOOF behorende blogs Pannekoekse Berichten en Filosofische Pannekoekjes

 

Introductie 2010

Filosoof van Pannekoekstad wat mag dat wel beduiden? Het is natuurlijk de eerste vraag die bij jullie opkomt en in het kort zou ik daar alvast het volgende over willen zeggen, waarbij ik me meteen moet verontschuldigen, want waarschijnlijk ben ik in dit eerste verhaal nog niet helemaal te volgen. Maar ik zal op deze zaken later nog terug komen.

In het zuiden van Drenthe, een van de noordelijke gewesten van de Republiek en het Koninkrijk, bevond zich een streek die ik wel de Colonie pleeg te noemen. Het is een gebied dat officieel niet onder die naam gekend is, maar wel een werkelijk gebied en tot ongeveer 1860 viel mijn Colonie samen met het kerspel en de gemeente Hoogeveen. Na  1860 ontstaan direct buiten de grenzen van deze gemeente ook een aantal nederzettingen die ik tot de Colonie reken. Al met al is het is de bewoning die in ongeveer drie en een halve eeuw ontstond langs de wateren binnen en rondom vier zeventiende- eeuwse veenderijen die je welhaast turfplantages zou kunnen noemen, uitgetekend en aangelegd in het tweede kwart van de zeventiende eeuw, het hoogtepunt van de koloniale Gouden Eeuw van de Republiek. Deze turfplantages bleven het heartland van de Colonie waar zo’n drie eeuwen lang de coloniers het veen onder hun voeten weggroeven en deze grondstof in turven wegvoeren naar het westen.

Daar waar in 1631 een kanaal het ongerepte Echtenerveen binnendrong ontstond bewoning, door de kolonisten aangeduid als de Huizen. Een tijdlang vormden deze woningen nagenoeg de hele Colonie, maar bij het naar het oosten opdringen van de waterstelsels van de turfplantages, werd de Huizen er de hoofdplaats van. Al in de beginjaren werden in de Colonie in de maanden mei en juni stukken veen gebrand om er boekweit in te zaaien en in de eeuwen daarna zette het jaarlijkse veenbranden de kolonisten dikwijls in een rookwalm die hen traanogen en hoestbuien bezorgde. De op beukennootjes lijkende boekweitkorrels die het tere witbloeiende gewas vervolgens leverde, werden tot een meel gemalen waar geen brood van te bakken viel. Wel pannekoeken en die werden zo’n gewichtig onderdeel van de dagelijkse kost van veel kolonisten dat dit hen de bijnaam Pannekoeken bezorgde.

Nu woonde in de Huizen aan het einde van de achttiende eeuw – zeg het verlichte tijdperk van de Philosophes –  een wat recalcitrante kolonist die in pamfletten zichzelf de titel Filosoof van Pannekoekstad toedacht.  Al heel wat jaren geleden werd mij dit verteld door een toen eveneens ietwat weerspannige medestudent*. Hoewel ik op zijn aanwijzingen wel eens in archieven heb gezocht naar een rechtszaak tegen deze zelfbenoemde filosoof, heb ik die niet gevonden. Ik liet het erbij en in dit verband zou het wellicht zelfs mooier zijn wanneer de hele filosoof nooit heeft bestaan. Maar daar ga ik vooreerst nog niet van uit. In ieder geval zie ik achter de titel Filosoof van Pannekoekstad iemand die zichzelf niet al te serieus wenste te nemen en met de contradictie in deze betiteling zichzelf relativeerde en met een glimlach of wellicht grimlach beschouwde*. Want tegelijkertijd was zijn aanduiding van de Huizen als Pannekoekstad mogelijk wel minder liefdevol of zelfs sarcastisch bedoeld. Of onze filosoof deze benaming zelf muntte of dat die in zijn tijd al in zwang was weet ik weer niet. Het fraaie Filosoof van Pannekoekstad bleef in mijn hoofd zitten, drong zich zelfs steeds meer als bij mij passend naar voren.

Want in de tijd van de Colonie – die ik laat aflopen omtrent 1975 – leefden in deze streek zeker 500 van mijn voorouders en wellicht waren dit er meer. Een bijzonder groot aantal en terug naar het begin van de negentiende eeuw woonden zelfs nagenoeg al mijn voorouders hier. Ook ik ben in deze tijd in de Colonie geboren en opgegroeid zodat je zou kunnen zeggen dat de Colonie in mijn bloed, of moderner, in mijn genen zit. Dat ik me als historicus al meer dan 30 jaren bezig houd met het verleden van mijn voorouders en de geschiedenis van de Colonie, zou dan niet verwonderlijk zijn. Zo maakte ik een kwartierstaat* van Colonie-voorouders – die ik natuurlijk mijn Pannekoekkwartieren noemde- en beschreef enkele onderwerpen en perioden uit de geschiedenis van de Colonie. Toch blijkt deze belangstelling een afwijking in mijn familie en meer algemeen bezien is de manier waarop ik met dit verleden doende ben wellicht bijzonder of zelfs vreemd te noemen.

Voordat ik daar iets meer over zeg, moet ik een uiterst eenvoudige analyse van mijn aard en omgang met de wereld – oh, hoe bevindelijk – aan jullie kwijt. Een pannekoekanalyse dus en door menigeen met kleine talenten omhelsd. Daarvoor haal ik de welbekende frase van Goethe over de Zwei Seelen im Brust van stal*. Lang geleden alweer voelde ik me aangesproken door deze metafoor. Ik maakte er van dat Burgerman en Kunstenaar als een Siamese tweeling in mij huisden, waarbij de zwakste van de twee, natuurlijk de onaangepaste kunstzinnige ziel, door de ander er meestentijds stevig onder gehouden werd. Deze gespletenheid werkte ik verder uit met de tegengestelde begrippen Feit en Fictie, Wetenschap en Verbeelding en Verantwoording en Vrijheid. Een simpel beeld en niets bijzonders wist ik ook, want in een dergelijke tweestrijd menen al velen ten onder te zijn gegaan. Bij elkaar drong dit zich toch als een lichtend inzicht aan mij op. De geërfde passie voor schrijven, die zich, achteraf haast onontkoombaar, richtte op het onderwerp Colonie, bleek in de loop van de tijd ook meer en meer onderworpen aan deze ordinaire worsteling.

Zo kom ik bij de vraag waarom ik mijzelf in navolging met de titel Filosoof van Pannekoekstad meen te moeten presenteren. In de eerste plaats toch omdat ik het zoals gezegd een bijzonder mooie benaming vind en dat is eigenlijk al een voldoende reden. Maar in de loop van de tijd heb ik daar een verhaal bij gemaakt. De titel zou juist mijn manier van omgaan met het de geschiedenis van de Colonie en mijn voorouders heel goed weergeven. Nu is die omgang hier en daar wellicht wat recalcitrant, maar daar gaat het nu niet om. De titel geeft, bedacht ik, treffend weer dat ik in genoemde 30 jaren heel veel heb gepiekerd over hoe ik het verleden van de Colonie en mijn voorouders zou willen beschrijven. Over stijlen, vormen, indelingen, periodiseringen, titels en zo voort. Ik probeerde een alles omvattend systeem te bedenken waarbinnen verschillende benaderingen en onderdelen – waaronder ook een vrijere subjectieve vorm – een juiste en afgeronde plaats zouden hebben. En om de zoveel tijd sloeg ik aan het wijzigen en verbeteren van de hele constructie.

Met dit denkwerk heb ik veel meer tijd verdaan dan met onderzoek en schrijven zelf. En wat dat laatste betreft kwamen uiteindelijk alleen een paar traditioneel wetenschappelijke teksten naar buiten die ook nog ernstig gebukt gingen onder verregaande detaillering en uitgebreide verantwoording ( zie het boek Geschiedenis van Hoogeveen 1815-1975). Al met al een merkwaardig geval en dit werd ik me ook meer en meer bewust. Zo kon ik deze omgang wel relativeren, maar er aan ontsnappen lukte maar zelden. Aan de belangstellende in afwachting zijnde buitenstaander verkocht ik deze, blijkbaar in mijn persoon verankerde, manier van doen op den duur  grappend, maar dus niet ver van de waarheid, als stoornis, afwijking en obsessie. Slechts af en toe lukte het me een stapje te doen op de smalle weg die wegvoerde uit de verlammende vicieuze cirkels van indelingen en inhoudelijk en qua beeld afgeronde en kloppende teksten. En wel met subjectievere teksten.

Het gepieker van de afgelopen jaren is terug te vinden in de constructie van deze site. Hier onder Filosoof wil ik vooral proberen mijn persoonlijke omgang met de Colonie naar voren te brengen. En dan spreekt de Filosoof ook met de doek over het hoofd, figuurlijk en soms letterlijk*. Om te proberen buiten het beklemmende systeemdenken om en zonder de druk tot verantwoording, een vrijere- en associatieve benadering te beoefenen, de artiest met klein talent naar voren te laten komen*. Onder andere via korte teksten over de Colonie, over zaken die ik ontmoet en ontmoette die me aan de Colonie doen en deden denken of die Coloniale gevoelens oproepen. Het verband kan dus ver verwijderd zijn en het onderwerp ogenschijnlijk niets met de Colonie te maken hebben, maar op een of andere manier zal het me desgevraagd toch lukken via een kronkelig achterafweggetje bij de Colonie uit te komen. Zoals in het geval van muziek die naar mijn gevoelen bij de geschiedenis van de Colonie past. Ook het systeemdenken en alles wat daarbij hoort kan op deze wijze frivool behandeld worden. Voor de goede orde, het is niet zo dat dan de verbeelding overwegend aan de macht is. Al zou ik dat nog zo graag willen, van de goede oude werkelijkheid kan ik meestal niet loskomen. Bovenstaande is vooral te vinden op deze site onder Berichten en op de weblogs Pannekoekse Berichten en Filosofische Pannekoekjes

Onder Colonie wil ik in het verlengde van juist genoemde proberen de geschiedenis van de Colonie en die van mijn daar levende voorouders op een  persoonlijke wijze te benaderen. De traditioneel-wetenschappelijke benadering van de geschiedenis van de Colonie krijgt eveneens een plaats. Dan zal de Colonie vooral Kolonie, Hoogeveen of de kolonie Hoogeveen genoemd worden. De laatste jaren was ik vooral doende met onderzoek naar en schrijven over het begin van wat ik de Voortijd van de kolonie noem, dat is de openlegging van het Echtener Veen in de jaren 1625-1635. Ook bij deze werkzaamheden speelden juist genoemde persoonlijke euvels mij weer parten. Het gedetailleerde verslag is nagenoeg af en heeft als hoofdtitel Leeg Land Bezet/Leegh Landt Beset (zie Weblogs Leeg Land Bezet).

Dan nog  iets over de spelling. Wat is er met dat  pannekoek aan de hand, daar ontbreekt naar de laatste spellingsregels toch een n aan? Dat klopt en er zijn veel goede redenen om tegen die n te zijn – het meervoud, het denken aan de pan in plaats van aan de koek – maar het gaat mij er hier om dat ik het pannekoeken-idee al had lang voordat de spelling weer eens vernieuwd moest worden en ik het woord ook al zolang zo geschreven heb, dat ik het niet anders meer kan en wil gebruiken*. Trouwens, de oude Filosoof kan ik natuurlijk geen tussen-n aandoen. Bij Colonie met een c ligt het iets anders. Zo geschreven vind ik het begrip mooier en passender bij het beeld dat ik voor ogen heb van het gebied en de bewoners. Daar komt bij dat het, zoals gezegd, met een hoofdletter geschreven een door mij omlijnd gebied aangeeft dat in werkelijkheid niet onder deze naam bekend is geweest. Maar bij kolonisten en kolonie Hoogeveen zal ik me dus gewoon aan de huidige k houden.

Tenslotte, hoe ik het ook wend of keer, uiteindelijk zullen al mijn teksten op de een of andere manier in het teken staan van de stoornis A. en de ziekte van P. – die ik vooreerst de ziekte van Pannekoekstad zou willen noemen.

*Mijn voormalige medestudent informeert ons heden ten dage op het web onder de naam Gelkinghe en Groninganus over de noordelijke stad waar wij geschiedenis studeerden en die sindsdien zijn en mijn woonplaats is.
*Men denke in de orde van Filosoof van Rijstebrijberg en Commandeur van Schuinsloot en niet in die van Filosoof van Koningsberg.
*Voor de gelukkigen onder jullie die nog nooit van een kwartierstaat hebben gehoord en er eigenlijk ook niets van willen weten, zo’n staat gaat terug op de vier kwartieren van een wapenschild met de wapens van de vier grootouders en is in het algemeen de weergave van een onderzoek naar alle voorouders van een persoon.
* Uit Faust I: Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust.
* Doekgenoten en nadere uitleg aanwezig op het blog Pannekoekse Berichten.
* Zekere inspiratie is gevonden bij Jean Paul van Bendegem: Over wat ik nog wil  schrijven.
* Het zal de vindbaarheid van deze Filosoof op het web echter niet bevorderen.

Curriculum Vitae Pannekoek 2001*

Als ik het goed heb kreeg ik ergens in de eerste helft van de jaren 1970 – ik was een jaar of twintig – resultaten onder ogen van het onderzoek dat mijn oom Arend Booij toen al deed naar de Booijen in de Colonie. Arend, een fors gebouwde politieman, ongeveer vijftien jaren ouder dan ik, was goed in verhalen, sterke verhalen ook, letterlijk. Als jongen was ik al gefascineerd door het verhaal over de opdoffer die hij in zijn jeugd in een donker park in de Colonie uitdeelde aan een vervelend sujet, waarna de kerel voor dood bleef liggen. Dit soort optreden leek in de familie te zitten, want Arend vertelde ook over mijn overgrootvader Arend Booij en diens levensbedreigende handelingen met een bierpul 1). Dat aan deze door mijn oom met verve gecreëerde en door mij met een zekere graagte aanvaarde Booij-mythe fysiek en karakter, maar zeer zeker ook vertelkunde ten grondslag lag, was mij toen al wel duidelijk. Opmerkelijk is dan ook de passage uit een zeventiende- eeuws gerechtelijk stuk die mij veel later onder ogen kwam: ‘ Dat Booy een van de opperste is ende vijff man onder de voet kan smijten’ 2). Helaas is het niet zo waarschijnlijk dat dit een van onze Booijen is geweest, maar toch.

Met zijn onderzoek kwam mijn oom toen al uit bij de eerste Booij in de Colonie die, wonderlijk genoeg, ook een van de allereerste coloniers blijkt te zijn geweest. Boye Leeuwes, zo wordt zijn naam in 1637 neergeschreven. Hij staat in 1641 in het notulenboek van de ‘Algemene Compagnie van de Echtense Veenen’ genoteerd als verlaatsman, bediener van het eerste sluisje – toen verlaat of vallaat genoemd  – waarmee de waterstand en de afvaart in de Colonie geregeld werd. Alleen zijn naam al leidde bij een aantal vooroudervorsers tot allerhande wilde speculaties. Want waar kwam die man met zo’n naam vandaan? Vragen die, zo bleek mij later, bij wel meer verre voorouders en vroege kolonisten gesteld konden worden. De hele zeventiende eeuw van de kolonie blijkt qua kolonisten mysterieus, omdat leven en dood door de kerk niet lijkt te zijn bijgehouden of omdat die boekhouding nog steeds zoek is. Uiteindelijk kreeg mijn oom gelijk en is Boeije Lieuwes sinds enige jaren deels ontmythologiseerd 3). Weliswaar kwam hij uit een landstreek waar een taal gesproken werd waar ook de schrijvers in de kolonie blijkbaar niet mee overweg konden, maar hij lijkt zo te zien niet afkomstig uit Engeland (Boye) of Frankrijk (Bois) en geen voorzaat van het Engelse koningshuis of een zoon uit een van de verdwenen stammen Israëls, ik kom daar nog op 4).

Mijn oom bezorgde me ook de door hem uitgetypte tekst van een in 1820 in de Colonie voor het huwelijk van Egbert Jans Nijstad  en Annigje Frisschers opgemaakte ‘Acte van Bekendheid’. Hierin werden als Egberts grootouders genoemd  Egbert Jans Nijstad en Trijntje Jans in leven landbouwers op de ‘ Nije-Statt’ een streek in de nabijheid van de Colonie. Dit werd het begin van mijn voorouderonderzoek en al snel bezocht ik voor het eerst het Rijksarchief in Assen en tekende ik mijn ‘Nijstadstamboom’ op de achterkant van een oude bouwtekening (‘binnen kozijnen voor 128 woningen in Buitenveldert A’dam’ staat er op) die mijn vader een keer voor ons kinderen had meegenomen van ‘Zwiers’ de timmerfabriek waar hij werkte om op te tekenen. Deze fabriek en andere houtverwerkende bedrijven waren in de Colonie opgezet nadat in de loop van de negentiende eeuw op grote schaal met bosbouw op het afgegraven veen was begonnen.

Het waren ook de jaren waarin ik, mijn geliefde volgend, in de zestig kilometer noordelijker gelegen ‘grote stad’ Groningen terecht kwam. In allerlei opzichten was ik geraakt door de razendsnelle maatschappelijke veranderingen die zich in deze tijd voordeden en deze beweging was er een belangrijk onderdeel en gevolg van. Het was, gezien mijn Colonie–milieu, een niet geringe verandering, waar ik later met enige verbazing naar terug kon kijken en die me naar mijn gevoel blijvend een emigrant maakte. In 1974 schreef ik me in als student geschiedenis bij de Rijksuniversiteit. Ik had mij laten informeren over de mij toen nagenoeg onbekende vakken sociologie en antropologie en ook over een studie Nederlands had ik nagedacht. Dat het geschiedenis werd had, bedacht ik later, te maken met  de herinnering aan het wegdromen in historische verhalen over geuzen, Oost-Indiëvaarders, ontdekkingsreizigers en indianen van Noord- en Zuid-Amerika (Inca’s, Maya’s en ook de Apaches van Karl May), met lezen dus. Eveneens met een jeugd waarin ik dagelijks merkwaardige geschiedenissen uit het verre Palestina aanhoorde, waarin ik gefascineerd was door kaarten, die ik uit atlassen natekende en waarmee ik de muren van mijn slaapkamer bekleedde. Maar ook met in de familie vertelde verhalen over ‘vroeger’ en met het door mijn oom aangedragen voorouderonderzoek.

Het was een hang naar verhalen, voorbije tijden, onderzoek, lezen en schrijven, die ik van de Booijen erfde. Talenten voor tekenen en schilderen hebben ze daar ook. Maar talenten, zeker als ze niet zo groot zijn, moet je wel de kans, de vrijheid geven om zich te ontplooien. En dat is de makke in deze familie. Zo werkte mijn grootvader Jan Booij een groot deel van zijn leven in een fabriek, maar had graag onderwijzer willen zijn. Vergeleken met zijn omgeving las hij veel en hij schreef, gedichten en beschouwingen over het einde der tijden die voor een deel verschenen in de krant van de Colonie. Ook heb ik een verslag van zijn beleving van de eerste maand van de oorlog en een korte autobiografie die hij na de oorlog schreef en heeft geprobeerd gepubliceerd te krijgen. Zijn ambities werden vooral gedwarsboomd door een gezinsleven dat niet gemakkelijk is geweest, zo wordt wel in de familie gezegd. Ik denk dat dit niet de uiteindelijke oorzaak was van deze fnuiking, tenminste als ik mezelf een beetje ken en we in deze op elkaar lijken.

Gedurende de tweede helft van de jaren 1970 bleven Colonie en voorouders op de achtergrond, verdiepte ik me in de bredere geschiedenis en kwam voor het eerst echt in aanraking met literatuur. Maar via familie- en gezinsgeschiedenis en kerkelijke- lokale- en regionale geschiedenis, kwam ik rond 1980, zoekend naar een onderwerp om op af te studeren, toch weer bij de Colonie terug. Bij de sociale structuur van deze samenleving in de eerste helft van de negentiende eeuw. Ik onderzocht of en hoe de sociale ongelijkheid weerspiegeld werd in de woningen van de kolonisten en gebruikte hiervoor kaarten en registers van het Kadaster van 1832, toen een nog vrijwel onbekende historische bron. Het werd een speurtocht naar de standen van de kolonie in steen en leem, een verkenning van de negentiende-eeuwse sociale ongelijkheid in het algemeen. Het onderzoek kreeg de titel: Herenhuizen en Hutten. Standen en standsongelijkheid in Hoogeveen rond 1830 en bleef in die vorm natuurlijk bij mij op de plank liggen 5). Achteraf meen ik dat mijn keuze voor de kolonie in ieder geval beïnvloed werd door de toenmalige aandacht voor de geschiedenis van het gewone volk en het onderzoek naar historische structuren. Maar evenzeer werd die denk ik bepaald door het heimwee van de emigrant en het uit mijn jeugd stammende verlangen een eigen verleden wereld te creëren, in dit geval een Colonie-wereld.

Zo was het niet vreemd dat in deze jaren de belangstelling voor het voorouderonderzoek bij mij weer opleefde, temeer daar ik die voorouders concreet in de bronnen tegenkwam. Ik concentreerde me nog even op de naam Nijstad en schreef in 1982 het verslag De familie Nijstad in en rondom Hoogeveen. De naamlijn volgend deed ik in deze tekst vanaf de oudste in de bronnen terug te vinden Nijstad – Egbert Reinders van de Nije-Statt, omstreeks 1725 getrouwd met Trijntje Jans – tot en met mijn grootvader Fritser Nijstad,  per generatie verslag van de gezinswederwaardigheden. Het werd een feitelijk relaas over in religie bevindelijk-orthodoxe keuterboeren en veenarbeiders – stillen in den lande- die, nadat een van hen omstreeks 1750 van de Nije-Statt naar het noordelijk deel van de kolonie vertrok, steeds in en rond dit Pesserveld – ooit onderdeel van de ‘Echtense- of Adellijke Plantage – bleven wonen. Na het overlijden van mijn grootvader Fritser in 1974 bleek zijn boekennalatenschap te bestaan uit twee bijbels, enkele psalmboeken en John Bunyan’s Christenreize naar de eeuwigheid. Mijn blijvende fascinatie voor religie en met name orthodoxie en fundamentalisme verklaar ik dan ook graag uit mijn, zoals ik dat noem, witte en zwarte orthodoxe achtergrond (het evangelisch- en apocalyptische georiënteerde fundamentalisme van de Booijs en het kerkelijk gewortelde fundamentalisme van de Nijstads), beide protestants-bevindelijk zoals dat heet 6).

De merkwaardige beperktheid van het onder de vlag van familieonderzoek  speuren naar vaders naam of vaders naamlijn in het verleden, was ik me overigens onderhand bewust. Ik denk dat het officieel vastleggen van de achternaam, zoals dat in ons land zo’n tweehonderd jaar geleden gebeurde, er vooral bij mannen voor gezorgd heeft dat identiteit en achternaam meer en meer gingen samenvallen. De magie van de achternaam speelt veel van de vooral mannelijke voorouderonderzoekers parten, waarmee vervolgens vrouwen, moeders, grootmoeders enz., vaak worden buitengesloten. Vanuit deze gedachte, die zeker ook van doen had met het feminisme van die dagen, verdiepte ik me in het leven van mijn onbekende grootmoeder Grietje Metselaar, de moeder van mijn moeder, van wie een foto, een brief en een paar anekdotes bewaard zijn gebleven 7). Ze overleed samen met twee van haar kinderen – een van de twee was mijn moeders tweelingbroertje – in het begin van de jaren 1930 in de Colonie ten gevolge van tuberculose. Het was de tijd waarin de tering nog verwoestend door Europa trok en een spoor van bloedspuwers naliet – waaronder de schrijvers Kafka, Van Ostaijen en Morriën. Het werd weer een feitelijke reconstructie van haar levensloop en familieomgeving en de tekst kreeg de titel Het leven van Grietje M, 1901-1933. Ik beschouwde het werk evenals het Nijstad-onderzoek als voorstudie en verspreide de primitief vermenigvuldigde teksten in familiekring (1983-84).

Intussen werd, ik heb het nu over het begin van de jaren 1980,  de drang in de richting van een meer persoonlijk schrijven, die zich al langer uitte in dagboekaantekeningen, gedichten en prozafragmenten, ook op het historisch vlak bij mij sterker. Hoewel ik in de tweede helft van mijn studie de mening raakte toegedaan dat geschiedschrijving een kunst was – natuurlijk met Herfsttij van Huizinga voor ogen- waarbij het ging om het verbeelden van het verleden via een in fraaie stijl geschreven verhaal dat vooral ook ter vermaak was (op heel andere wijze gold dit mijns inziens ook voor Montaillou van Le Roy Ladurie), waren mijn eigen teksten uit die tijd voornamelijk onderzoeksverslagen met vaak veel cijferwerk. Dat was, leek mij, dan ook geen geschiedschrijving en dat vind ik, in het algemeen en zeker in mijn geval, nog steeds. Overigens heeft geschiedschrijving, meen ik, altijd een samenhangende groep of een persoon in een bepaalde tijd en een min of meer afgeperkt gebied tot onderwerp.

Nu voldeed het onderzoeksverslag over de kolonie Hoogeveen in 1830 waar ik in 1984 mee afstudeerde wel aan dit laatste criterium, maar het zat vol tabellen en grafieken. Het leed ook ernstig onder een met grote zorg gestructureerd bouwwerk van vraagstellingen, dat heel veel werk genereerde en voortkwam uit obsessionele pogingen datgene te verenigen wat op dat moment beter niet verenigd had kunnen worden. Toen al het werk uiteindelijk een bundel teksten had opgeleverd, bleef mijn onderwerp weliswaar de geschiedenis van de kolonie en mijn voorouders, maar snakte mijn literaire ik naar vrijheid. Nog niet direct naar fictie, maar wel naar een subjectievere aanpak en stijl. Ik was mijn bron-critische- en sociaal-historische benadering vol met verantwoordingen even zat. Mijn verslagen waren, zo meende ik, tot in de finesses afgerond en bijgeslepen en onderling nauwkeurig afgestemd, uiteindelijk klopte alles geweldig, maar wie wilde ze nog lezen, laat staan begrijpen?

In deze jaren werd ik geraakt door grote schrijvers die verhalen vertellen over mensen op het land, ergens in een dorp, een stadje of een streek in het verleden. Schrijvers als Faulkner, Marquez en Boon met wie ik me, ik moet het maar eens durven zeggen, niet alleen vanwege hun onderwerp, maar ook vanwege hun stijl, de stem waarmee ze spreken, verwant voelde. Het waren verhalen zoals ik ze zelf wilde schrijven, maar waar ik natuurlijk bij lange na niet toe in staat was. Het was het niet uit te roeien verlangen om de artisticiteit die ergens in mij zat en kans te geven, het verlangen subjectiever te worden en daarbij vrijheid te geven aan verbeelding en mooie zinnen, het verlangen naar meer armslag. Kortom het diepe oude verlangen naar roem en mooie vrouwen zal ik maar zeggen, een hoge greep die verlammend zou gaan werken. En ik bakende mijn onderwerp subjectiever af; de Colonie, de voorouders die daar geleefd hadden, mijn eigen leven en mijn gedachten over dit alles 8).

Maar de wetenschappelijk opgeleide historicus, met een aandrift om te speuren naar bronnen en details die een puzzel konden oplossen, met het plezier in het kritisch bespreken van een historische bron en met de niet te onderdrukken neiging elk onderdeel van een onderzoek in een uitgebreid, maar uiterst saai en ontoegankelijk verslag te bespreken, bleef in leven. Ik kon geen keuze maken, ik wilde alles en bedacht, welhaast ten einde raad, expliciete subjectiviteit en wetenschap naast elkaar te gaan beoefenen en uiteindelijk zelfs te gaan combineren. De bladen en blaadjes met inleidingen, alinea’s, openingszinnen, concepten van artikelen, onderzoeken en zelfs hele boeken en vooral de notities over het geworstel zelf, stapelden zich op. Het waren wat dat betreft vruchtbare jaren en ik vraag me nog vaak af of het bad waar ik vanaf 1981 over kon beschikken hier niet een belangrijke rol heeft gespeeld. Veel plannen ontstonden namelijk in de euforie die klaarblijkelijk het gevolg was van de verhitting van mijn gestel in het hete water. Zo ontstonden ook Het Systeem en Het Boek.

Want bij de in de loop van de tijd steeds veranderende plannen met uiteenlopende al aanwezige en vooral toekomstige teksten, hoorden natuurlijk archivering, ordening van materiaal en uiteenlopende soorten notities en een systematische beschrijving. Dat noemde ik Het Systeem en de eerste beschrijving stamt uit 1984 9). Het doel van Het Systeem noemde ik Het Boek. Dit was een beschrijving, vooral aan de hand van titels, van al mijn schrijfplannen en – bezigheden, ‘een autobiografie in onderdelen’ zoals de gewichtige ondertitel luidde. Naast de plannen voor traditionele en meer persoonlijk teksten over de kolonie en mijn voorouders aldaar, vonden ook dagboeken, andere direct autobiografische aantekeningen, prozaprobeersels en natuurlijk gedichten, een plaats. Maar de historische plannen bleven in Het Boek verreweg de meeste ruimte innemen en halverwege de jaren 1990 zagen die er kortweg als volgt uit.

Ik had drie fasen of lagen bedacht. Een eerste fase van historisch-wetenschappelijke onderzoeken en teksten die uiteindelijk moesten leiden tot een beschrijving van de geschiedenis van de kolonie. Dan een fase waarin hetzelfde onderwerp meer journalistiek benaderd zou worden, waarbij ook de voorouders en persoonlijke beschouwingen en autobiografische teksten een plaats moesten krijgen – waarmee dus al een subjectief perspectief gekozen werd. En tenslotte de literaire fase waarin – onder andere in gedichten –  persoonlijke stijl en perspectief  noodzakelijkerwijs  het onderwerp geheel zouden bepalen. Enkele geplande titels in fase 1 waren: Morgenland en hemelrijk en Veen, water en orthodoxie, beide met als ondertitel De kolonie Hoogeveen tussen 1625 en 1975. Voorlopers en onderdelen van een dergelijke tekst zouden zijn Kolonie in het moeras – Hoogeveen in de zeventiende eeuw en Herenhuizen en Hutten – de kolonie  Hoogeveen in de eerste helft van de negentiende eeuw. In fase 2 waren dat Voorouders in een Colonie, Pannekoekkwartieren en Kleine geschiedenis van Pannekoekstad en in fase 3 Kroniek van Water en Vuur, Stemmen uit een Colonie 10) en Filosoof van Pannekoekstad.

Het was in de praktijk een steeds maar uitwaaierend systeem van plannen en titels waarbij ik toch op verschillende momenten dacht dat het rond en af was. Uiteindelijk leidde dit alles tot het ultieme plan van Het Boek des Levens dat alle losse onderdelen werkelijk in een band zou moeten samenbrengen. Ergens in de tweede helft van de jaren 1990 verbeeldde ik het me als een groot gebonden boek met historisch-wetenschappelijke – naast poëtische teksten, met tekeningen en platen in kleur en zwart-wit, met erotische afbeeldingen naast familieportretten, met landkaarten en, ik wist nog niet hoe, muziek. Alles bijeengebracht in een boekwerk dat ik zag liggen schitteren in het zonlicht van een warme zomerse dag (bij een fontein en ritselend gebladerte) en waarmee ik, in kleine kring natuurlijk, wereldberoemd zou worden. Het waren gedachten en beelden die voortvloeiden uit gebrek aan tijd, het niet kunnen kiezen en uiteindelijk het ontbreken van de moed en de discipline om werkelijk te beginnen. Het werd een obsessie die naast vele uren gepieker en slapeloosheid ook tijden van euforie leverde. Ondertussen was er ook nog het leven zelf waarover ik hier geen woord loslaat.

Toch waren er naast alle plannenmakerij wel werkelijke kleine en grotere aanzetten. Voor de Courant van de kolonie schreef ik in 1986 en 1987 een aantal artikelen onder de titel Herenhuizen en Hutten, Hoogeveen rond 1830 11). Uitgaande van mijn eerdere onderzoek 1830 probeerde ik allerlei aspecten van het leven in de kolonie in de eerste helft van de negentiende eeuw te belichten. Het aanzicht van de streek, het weer, de sociale verhoudingen binnen de bevolking, het binnenhuis en het dagelijks leven betrapt in gerechtelijke stukken a la Richard Cobb 12). Hierbij beïnvloed door de in die dagen in de historische wereld opgang doende en mij aansprekende integrale geschiedschrijving. Een paar jaar later probeerde ik nog eens zoiets onder de titel De Kolonie honderd jaar geleden. Toen met gegevens uit een landelijk onderzoek van de levensomstandigheden van de arbeidersbevolking uit 1891 13). Beide series bleven onafgemaakt en ik zeg graag dat de achtergrond hiervan mijn werk aan het boek Geschiedenis van Hoogeveen 1815-1975 was. Van najaar 1987 tot voorjaar 1995 nam dat veel van mijn tijd in beslag  14).

Bij de opzet van dit boek was het de bedoeling een wetenschappelijk verantwoord en tegelijk toegankelijk handboek te maken. Hier is veel energie in gestoken, maar het doel bleek te hoog gesteld, het was een onmogelijke opgave. Zeker mijn eigen hoofdstukken over de bevolking, waar ik veel onderzoek voor deed en waar naar mijn idee ingewikkelde constructies aan ten grondslag lagen waar ik aan schaafde en schaafde tot alles klopte en verantwoord was, zijn grotendeels weinig toegankelijk geworden. Mijn inspanningen om de bevolking van de Velden, het platteland van de kolonie waar mijn voorouders in de onderzochte periode leefden, door het hele boek vooraan in het beeld te plaatsen – de papieren emancipatie van de veldelingen zal ik maar zeggen – bleven denk ik door het gros van de lezers onopgemerkt 15).

Na het verschijnen van het boek, voorjaar 1995, was ik moe van de kolonie. Zou ik al het papier verbranden en een nieuw leven beginnen vroeg ik me herhaaldelijk af? Uiteindelijk kwam dat er niet van. Het was al te laat, ik moest de ingeslagen weg blijven volgen. Na de inzinking kwam de drang om over het verleden van Colonie en voorouders te schrijven terug en een jaar later haalde ik mijn papieren weer tevoorschijn. Het onderzoek 1830, waarin ik onder andere vaststelde wie er in de Colonie precies in welke woning woonde en waar die woning stond – een plattegrond van woningen en bewoners die nieuw was – was het uitgangspunt geweest bij mijn bevolkings -en bewoningsonderzoek 1815-1975 voor het boven genoemde boek 16). Nu begon ik, weer uitgaande van 1830, stapje voor stapje de precieze woonplaatsen van de kolonisten en zo de bewoningsontwikkeling in de voorafgaande periode te reconstrueren. Tot in het eind van de zeventiende eeuw, waar ik stuitte op vroege kolonisten en vroege Colonie-voorouders 17). De gevonden bewonersplattegrond 1691-94 vormde de aanleiding tot een verdere verkenning via literatuur en kaarten van de qua bevolking en dus ook voorouders grotendeels nog onbekende zeventiende eeuw van de Colonie. Dit omdat ik inmiddels van mening was dat de eigenaardige geschiedenis van de Colonie waarschijnlijk veel beter te begrijpen was met meer kennis van de eerste openlegging en de verdere exploitatie van het veen in de zeventiende eeuw. Hier mee bezig meende ik dat eerst het totale bewoningsonderzoek 1691-1975 eindelijk eens in een tekst verantwoord moest worden, wat betekende dat ook het oude basismanuscript 1830 weer tot leven gebracht moest worden. Dit was denk ik ergens in het jaar 1999.

Wat er werkelijk aan de hand was en is – want lezer waar heb je dit verhaal aan verdiend – was natuurlijk nog steeds de dwanggedachte dat eerst alles tot in de details bestudeerd en verantwoord moest zijn voordat met het zogenaamde echte schrijven begonnen kon worden. Het was weglopen, vluchten voor de dreigende kans op een confrontatie met de eigen kleinheid, het gebrek aan talent en het falen. Opnieuw begin het denken over en het constante wijzigen van het driefasen-model. Zo schoten mij bij het lezen in John Berger’s Het varken aarde, handelend over het leven van kleine boeren, de beroemde reportages over en foto’s van het platteland van de Verenigde Staten tussen 1935 en 1945 te binnen 18). En dat bracht mij weer bij het door mij bij het werk aan het boek 1815-1975 teruggevonden manuscript over het leven in de Velden (buitenstreken) van de kolonie in de jaren 1930 en aan de waarschijnlijk door rondreizende Duitse spionnen gemaakte familieportretten van kolonisten uit diezelfde tijd. Natuurlijk vormde er zich weer een plan en wel om een verhaal te schrijven over de kleine boeren van de Colonie in de periode tussen de wereldoorlogen. Dat waren er in die jaren bijzonder veel, mijn grootouders Nijstad behoorden er toe en van hun gezin zijn ook een paar door zo’n Duitse spion geschoten portretten bewaard gebleven 19). De tekst zou moeten passen in mijn journalistieke afdeling en ik ben er daadwerkelijk mee begonnen.

Ondertussen was ik, via bronnen die ik bij mijn andere onderzoekingen tegenkwam, stukje bij beetje verdergegaan met het onderzoek naar mijn voorouders in de negentiende eeuw en voor die periode was de puzzel nagenoeg compleet. Van mijn 32 voorouders in de zesde generatie terug die leefden tussen ongeveer 1780 en 1820 waren er 23 in de kolonie geboren en zeker 28 woonden er het grootste deel van hun leven 20). In mijn denkwereld was deze uitkomst welhaast de verklaring voor mijn obsessie met de kolonie. Hoe zat dat met mijn honderden voorouders van de achttiende- en zeventiende eeuw? Over hen wilde ik natuurlijk ook meer weten en ik ging aan de slag met een paar gepubliceerde kwartierstaten met veel kolonisten. Zelf deed ik ook onderzoek en zo reconstrueerde ik een deel van de kwartieren van de juist genoemde 32 voorouders die leefden rond 1800 en arriveerde bij mijn oudste Colonie-voorouders. Naast de Booij-lijn bleken er veel meer lijnen in mijn kwartierstaat terug te voeren naar  de allereerste Coloniers. Ik bleek sterk en diep in de Colonie geworteld 21).

Weer gingen een paar jaren voorbij en het werd voorjaar 2001. Net als de twintig lentes daaraan voorafgaand waren dit de maanden van het jaar waarin ik me een aantal weken min of meer volledig aan de Colonie kon wijden. Zo werkte ik lente 2000 aan een verslag van de wijze waarop ik mijn bewoningsonderzoek 1830 en 1830-1690 deed. Maar steeds sterker werd het besef dat de tijd nu echt ging dringen en dat ik een keuze moest maken. Er zat niets anders op. Zo doorgaan zou leiden tot niets, de mislukking, de weg van de genen 22). Beter zou dan zijn alles te verbranden zoals ik eerder overwoog. Eindelijk vrij, mislukt als schrijver, maar wellicht gelukkiger. Ik besloot de plannen om de geschiedenis van de kolonie (met de bijbehorende deel-en vooronderzoeken) wetenschappelijk verantwoord samen te vatten, te laten varen. Ik ging een stap richting subjectiviteit doen, naar de journalistieke fase van mijn systeem, met als allerlaatste inspiratie het boek Slaven in de Familie van Edward Ball 23). Zou ik die oude duivel, de bloedserieuze historicus, eronder kunnen houden? Zou ik meer armslag en vrijheid aankunnen? Of moest ik misschien direct een nog rigoureuzer stap doen, naar mijn laatste fase en me laten inspireren door Het geraas en gebral van William Faulkner en de door mij eveneens juist ontdekte Pierre Michon met z’n Roemloze levens 24). Weer kwam ik er niet uit en besloot in september 2001 tenslotte te beginnen met een persoonlijk verslag van mijn kwartierenonderzoek met als titel Pannekoekkwartieren, verslag van een verkenning naar voorouders in een Colonie met een Curriculum Vitae Pannekoek. Ik dacht aan en afsluiting, het moest hier maar bij blijven.

* Oorspronkelijke tekst geschreven in 2001-2002 als onderdeel van Pannekoekkwartieren, een verslag van een verkenning naar voorouders in een Colonie met een Curriculum Vitae Pannekoek. Bewerking mei 2010.
1. Arend Booij, nr. 12 in mijn kwartierstaat. Zie het hoofdmenu van deze site onder Voorouders/Pannekoekkwartieren.
2. F. van Egmond, Op het verkeerde pad, Amsterdam 1994, p.8.
3. R. van der Ley, Booi. Van Kooten in Friesland naar het Drentse Hoogeveen, Drents Genealogisch Jaarboek, 1994.
4. Zie Feit en Fictie onder Voorouders?Pannekoekkwartieren in het hoofdmenu.
5. Zie voor Kadaster en onderzoek H.Gras, F. Nijstad e.a., Geschiedenis van Hoogeveen 1815-1975, Meppel, 1995 o.a. p. 73 en 98.
6. Zie hoofdstuk Variaties der Bevindelijken in boek onder noot 5.
7. Zie voor foto en brief weblog Pannekoekse Berichten  en…..
8. Van de inspiraties op dit vlak uit deze jaren noem ik er nog een paar: Graham Swift, Waterland; Walter van den Broecke, Aantekeningen van een stambewaarder; André Brink, Houdt den bek; Adam Thorpe, Ulverton; William Styron, Bekentenissen van Nat Turner; Rosetta Loy, Wegen van stof en Robert Hughes, De wilde kust.
9. Zie voor het toen al geleverde commentaar…….
10. Inspiratie Adam Thorpe.
11. Hoogeveensche Courant 1986-87.
12. Richard Cobb, A sense of place……
13. Hoogeveensche Courant …. , bron Parlementaire Enquête 1891.
14. In opdracht van de gemeente Hoogeveen, zie noot…
15. Zie artikel hierover in de Hoogeveensche Courant……. Bijvoorbeeld over kerkelijk-
en bevolkingsperspectief, zie ook Aantekeningen Filosoof hieronder.>
16. Zie noot 5.
17. Arend Everts te Hoogeveen verschafte mij belangrijke bewerkingen en kopieën van bronnen.
18. Londen 1975, over deze reportages en foto’s zie weblog……
19. Over dit manuscript boek Hoogeveen 1815-1975, p. 407., zie over spionen weblog Pannekoekse Berichten .
20. Zie Onderzoek kwartierstaat/ Midrasj Voorouders te vinden via hoofdmenu onder Voorouders/Pannekoekkwartieren.
21. Zie noot…
20. genoemde publicaties leveren met name over de vroegste jaren van de Colonie nogal eens onjuiste informatie. Eerst vooral gewerkt met de uitgebreide kwartierstaat van Arend Everts, toen een relatief betrouwbare bron. Zie onder Voorouders voor fragmenten tekst en onderzoek Vroege Voorouders
22. Zie tekstje Genen en Generaties onder Aantekeningen Filosoof.
23. Amsterdam, 1999.
24. en Amsterdam, 2001.

Voorwoord 2001*

Woar woon-ie
in de Cloon-ie
in’ t mestgat
oh, wat stinkt dat

Het moest er van komen, het was de hoogste tijd, ik moest de resultaten van mijn kwartierenonderzoek, mijn commentaren daarbij en mijn verdere plannen ergens vastleggen, onder woorden brengen, een vastere vorm geven, aan papier toevertrouwen. Voor mezelf, om eindelijk een begin te maken en om helderheid te krijgen. Maar ook om mee te delen, iets te laten zien, want waar is-ie al die tijd eigenlijk mee doende en wat moet het worden? Maar tot wie moest ik me richten? Tot mijn dochter, mijn familie, vrienden en kennissen, andere vooroudervorsers of een nog breder publiek? Of tot mogelijke geldverschaffers als een spekpannekoekenverkoper* – waar ik niet zo goed in ben, maar er moet brood op de plank, om even bij het meel te blijven. Tot allemaal tegelijk dan maar dacht ik, dus laat het betoog maar z’n loop en laat in een onbeholpen proeve verschillende tonen klinken, inhoudelijk, qua stijl en in vorm. En dan gaat het vooreerst om gegevens en commentaren die uitgangspunt moeten worden voor een andere tekst: Voorouders in een Colonie, een verhaal over mijn voorouders en de plek waar ze leefden. Lang heb ik er over nagedacht, stapels papier met notities liggen klaar en vele inspiraties zijn gepasseerd. Een van de laatste was het boek Slaven in de familie van de Amerikaan Edward Ball en van het zojuist gelezen Kolonie van onvervulde dromen van Wayne Johnston was alleen al de titel onmogelijk te negeren.*

*Oorspronkelijk voorwoord bij de tekst Pannekoekkwartieren, verslag van een verkenning naar voorouders in een Colonie met een Curriculum Vitae Pannekoek  gemaakt eind 2000, bewerking 2010.
*Ofwel hoe spekkoper te worden met pannekoeken.
*Amsterdam 1999 en Breda 2000.

Introductie 2001*

Wat ik tot nu naar voren bracht roept denk ik al vragen op. Wat is er bijvoorbeeld  met de spelling van pannekoek, daar ontbreekt naar de laatste spellingsregels toch een n aan? Dat is waar en er zijn goede redenen om tegen die n te zijn – het meervoud, het denken aan de pan in plaats van aan de koek – en die deel ik. Maar ik had het pannekoekenidee al lang voordat de spelling weer eens vernieuwd moest worden en ik heb het woord ook al zo lang zo geschreven, dat ik het niet anders meer kan en wil gebruiken. Bij Colonie met een C ligt het iets anders. Colonie vind ik mooier en passender bij het beeld dat ik voor ogen heb van het gebied en de bewoners. Een persoonlijke gril dus. Daar komt bij dat het, met een hoofdletter geschreven, een door mij omlijnd gebied aangeeft dat in werkelijkheid niet onder deze naam bekend is geweest. Bij kolonisten zal ik me overigens gewoon aan de huidige k houden *.

En wat moet dat voorstellen, die Colonie en waar ligt die? Ik zou kunnen zeggen dat ik de Drentse gemeente Hoogeveen bedoel en dan de gemeente van voor ongeveer 1970 en dat ik een paar nederzettingen die in die periode op het veen in de directe omgeving ontstonden er bij reken. Of dat ik met de Colonie doel op een groot deel van het gebied dat bevolkt werd tijdens het vergraven van het veenmoeras De Echter Groote Veenen waarin Hoogeveen de hoofdplaats werd. Voor mij is de beste omschrijving op dit moment de volgende: De Colonie is de bewoning die in de loop van drie eeuwen ontstond langs het waterstelsel binnen en rondom vier zeventiende-eeuwse turfplantages in de Echter Veenen, het zuidelijke moeras in het noordelijke gewest Drenthe. En de bewoning, dat zijn natuurlijk de Coloniers, de kolonisten, om hen gaat het.

De meesten van jullie zullen dit eerst wel genoeg vinden, maar ik wil er toch nog even wat meer over kwijt, over wat ik zie als de kern van de geschiedenis van deze Colonie, een inzicht dat ik jaren geleden kreeg toen ik nadacht over de sociale en ruimtelijke verhoudingen binnen deze streek. Pas toen ik terugging naar de beginjaren van de Colonie begreep ik die verhoudingen, kreeg ik houvast en had ik mijn perspectief te pakken. Ik moet daar wel bij zeggen, dit is een afwijking van mij, een wellicht ongezonde psychische toestand die ik ‘de fascinatie voor oersituaties’ zou willen noemen. En wie steeds op zoek is naar ‘in den beginne’  kan vele vragen stellen en het antwoord steeds uitstellen en meent ook nog dat dit historiserende wereldbeeld eigenlijk het ware is.

De eigenaardige openlegging en eerste exploitatie van de Echter Groote Veenen  werd voor mij de essentie waarop de hele ontwikkeling van deze streek en de wijze van leven van de kolonisten – waaronder mijn voorouders – teruggevoerd kan worden. En dan gaat het niet enkel om de eerste decennia na het loffelijke initiatief van het jonkertje van Echten,  maar om laten we zeggen alle decennia van Gouden Eeuw van de Republiek. In deze periode creëren menselijke plannetjes en de weerstand en toegeeflijkheid van het veenmoeras als het ware de blauwdruk waarop de eigenaardigheden die de Colonie zouden gaan kenmerken worden vastgelegd. Dat zijn een gigantische waterwegenweb, eeuwenlang thuishaven van honderden schepen en schippers, een wereld van kleine boeren en een grote zeer gevarieerde orthodoxie. Jullie zeggen dan; die vindt het wiel uit, maar zo zie ik het niet. Ik vindt het een kleine ontdekking, een nieuw perspectief. De eerste lijnen op die blauwdruk zijn getrokken bij het begin van de openlegging, tijdens de aanleg van vier turfplantages. Het zijn lijnen die ik heel belangrijk acht voor de latere ontwikkeling van de Colonie *.

Dan die kwartieren. Want een Colonie dat is nog daar aan toe, maar kwartieren, wat bedoelt-ie daar nu mee, waar houdt hij zich mee bezig? Ho,ho, ik heb het nu natuurlijk niet tegen jullie, historici en genealogen, maar tegen de anderen, de gelukkigen die nog nooit van een kwartierstaat gehoord hebben en er eigenlijk ook niets over willen weten. En toch, hoe vervelend, haal ik er een handboekje bij om, in het kort zoals dat heet, uit te leggen dat een kwartierstaat een begrip uit de genealogie is en dat het duidt op de weergave van een onderzoek naar de voorouders van 1 persoon. De ouders van die persoon zijn nummer 2 en 3, de grootouders 4, 5, 6 en 7 enz.. Het begrip kwartierstaat komt van de vier kwartieren van een wapenschild, waarop de wapens van de vier grootouders. Die voorouders worden dan ook wel kwartieren genoemd. Dit soort genealogisch onderzoek heeft overigens heel merkwaardige kanten, ik kom daar nog op (zie Feit en Fictie onder Voorouders – Pannekoekkartieren.

Wat vervolgens te zeggen van die pannekoeken zelf? Toen ik jong was hield ik niet zo van pannekoeken. Ze lagen me vaak zwaar op de maag. Overdrachtelijk gezien is dat nog steeds zo. Ik heb het dan over mijn buitengewoon grote aantal Colonie- voorouders en die werden vroeger spottend wel pannekoeken genoemd vanwege de massa pannekoeken die in de Colonie zou worden gegeten. Zo kregen mijn ouders in de jaren voor de laatste grote oorlog, in de vroege ochtend, nog dikke van tarwebloem gemaakte en boven een turfvuur gebakken pannekoeken met spek voorgezet. Die bekwamen mijn moeder ook al niet zo goed. Mijn zoon heeft daar vervolgens, om even in de familie te blijven, minder last van want lange tijd at hij er elke woensdag rond het middaguur twee,  een met spek en een met appel. Altijd, want hij is zeer op regelmaat gesteld. Hoe lang is het trouwens alweer geleden dat ik mijn kinderen voorlas over de pannekoek met pootjes ?

Op hun beurt zullen mijn grootouders in hun leven nog meer pannekoeken naar binnen gewerkt hebben dan mijn ouders. Zij zijn mijn eerste vier voorouders en ieder van hen vormt, gedacht vanuit het wapenschild, een van mijn kwartieren, zodat ik zo bezien met recht van pannekoekkwartieren kan spreken. Altijd zonder wapen geweest en nu alle vier door mij tot pannekoek geslagen, hadden ze dat ooit kunnen denken? Hun pannekoeken zullen toen al vooral van tarwebloem gemaakt zijn geweest, want de boekweitverbouw was tegen het einde van de negentiende eeuw samen met het veen nagenoeg uit de Colonie verdwenen. Maar in die eeuw en de eeuwen daarvoor was boekweitmeel het hoofdbestanddeel van de in de Colonie gebakken pannekoek. De omvangrijke boekweitteelt in de Colonie was zelfs de oorzaak van de pannekoekcultuur *.

Al in de beginjaren, in de eerste helft van de zeventiende eeuw, werden in de maanden mei en juni in de Colonie stukken rauwveen gebrand om er boekweit in te zaaien. Er is wel beweerd dat de Colonie de eerste plek in deze contreien (de noordelijke gewesten van de Republiek) was waar de boekweitcultuur op grotere schaal op het veen uitgeprobeerd is*. De eeuwen daarna zette het jaarlijkse veenbranden de kolonisten dikwijls in een rookwalm die hen traanogen en hoestbuien bezorgde. De op beukennootjes (Buchweizen) lijkende boekweitkorrels die het tere wit bloeiende gewas vervolgens leverde, werden tot een meel gemalen waar geen brood van te bakken viel. Van de bloei konden de bijen overigens wel gek worden en zo was omstreeks 1765 mijn voorouder Klaas J. Botter, zo’n beetje de grootste imker van de Colonie *.

Ook beweerd wordt dat boekweitpannekoeken vooral gebakken werden in de  nederzetting in het noordwesten van de Colonie, die in de zeventiende eeuw zo’n beetje de hele Colonie vormde en die lang tijd wel De Huizen en Streek de Huizen genoemd werd omdat op deze plek de eerste woningen van de Colonie stonden waaronder de stenen woningen van de meer welstandige kolonisten. De laatsten zouden het geld gehad hebben om de voor het bakken van de koeken benodigde olie aan te schaffen*. Dit de-centraal gelegen centrum kreeg van een latere recalcitrante bewoner – een zelfbenoemd filosoof aan het eind van de achttiende eeuw – de wellicht minder liefdevol bedoelde benaming Pannekoekstad*. De tegenwoordige plaats Hoogeveen is er uit voortgekomen. De kolonisten met geringe inkomens woonden vanaf het begin van de eeuw die ik net aanhaalde steeds meer buiten de Huizen, in de Velden van de Colonie. Zij zouden voor olie te weinig centen hebben gehad en hun boekweitmeel meestal met water tot een donkere brij gekookt hebben.

In deze Velden leefden bijna al mijn Colonie-voorouders, vaak in de periferie, en mocht het verhaal waar zijn dan zouden zij gedurende de boekweittijd eerder boekweitenbrijers dan pannekoeken genoemd kunnen worden en zou ik mij in dit opzicht moeten beraden over mijn titel Pannekoekkwartieren en het aan hen verlenen van deze bijnaam. Maar dat doe ik vooralsnog niet. Brij en koeken van boekweitmeel waren in veel streken dagelijks voedsel van het volk voordat de aardappel de overhand kreeg. Wie er in de Colonie in de loop van de boekweittijd pannekoeken bakte, hoe die gebakken werden en hoe vaak, is niet onderzocht en zal, hoe interessant het onderwerp ook, waarschijnlijk niet onderzocht kunnen worden. Ik neem aan dat het grootste deel van  mijn Colonie-voorouders – de maaglijders uitgezonderd natuurlijk – in hun leven wel zoveel pannekoeken gegeten hebben dat de bijnaam pannekoek met ere kunnen dragen.

Maar hoe kwam je nu bij dit kwartierenonderzoek en waarom die beperking tot je voorouders in deze Colonie en waarom ook die Colonie zelf? Dat is de vraag die jullie tenslotte nog wel beantwoord zouden willen hebben denk ik. Natuurlijk, ik ben er geboren en opgegroeid, dat kon haast niet anders, en ik wist al snel dat dit ook voor mijn ouders en grootouders gold. Maar dat is natuurlijk niet het hele verhaal. Dat zal ik vertellen in mijn Curriculum Vitae Pannekoek(zie hierboven).

*Oorspronkelijk de introductie bij de tekst Pannekoekkwartieren, verslag van een verkenning naar voorouders in een  Colonie met een Curriculum Vitae Pannekoek  gemaakt eind 2001, bewerking 2010. Zie nu ook Introductie 2010.
*Voor de eerste jaren van de Colonie verwijs ik naar Leeg Land Bezet te vinden onder Kolonie in het hoofdmenu.
*Zie J. Wattel over boekweitteelt in Veenmol…
*Zie Hoogeveen, van Echten’s Morgenland, p.70. Dit is onwaarschijnlijk, zie onder andere Wikipedea onder boekweit.  Zie over de boekweitteelt in de Colonie verder Ten Heuvel in de Hoogeveensche Courant van 17 en 20 juni 1925. Bij het huis Echten zou al in 1470 boekweit zijn geteeld op bouwlandjes (goorden).
*Klaas J. Botter, nr. 160 in mijn kwartierstaat, zie het hoofdmenu onder Voorouders. Verder Haardstederegister Hoogeveen 1764, Slood. Over imkers zie Hoogeveen, oorsprong en ontwikkeling, p.152.
*Plantage; in de tropen (door westerlingen) aangelegd terrein bestemd voor de verbouw van onder andere suikerriet, tabak, rijst, katoen en rubber (Van Dale, 1999).
*Helaas kom ik het woord plantage niet in de over de Colonie bewaard gebleven stukken uit de zeventiende eeuw tegen. Later, in de achttiende eeuw wel, maar dan betreft het bos in de Colonie dat een plantagie genoemd wordt. Hier, waar het gaat om turf, om hoogveen dat weliswaar niet meer geplant hoeft te worden en niet meer hoeft te groeien, want al kletsnat gereed ligt om gestoken te worden, maar waar nog heel wat kapitaal, vernuft en arbeidskracht voor nodig is, wil ik toch van plantages spreken. De exploitatie van de grote afgebakende veengebieden van de turfondernemingen in de zeventiende eeuwse Republiek die meestal compagnieën genoemd worden, vertoont mijns inziens namelijk verder belangrijke overeenkomsten met de plantagecultuur.

Nog te publiceren

Curriculum Vitae Pannekoek 2010

Op dit artikel kan niet (meer) gereageerd worden.